Net zo betekenisvol waren de vriendschappen die ik opbouwde met de lokale mensen om mij heen. Naast de vriendschappen met mijn lokale collega’s (
column: werken in Nepal), bouwde ik ook bijzondere vrienschappen op met mensen die ik in het dagelijks leven ontmoette.
Mensen zoals Suman. Een Nepalese vriendin met wie ik uren kon praten over hoe idealistisch je mag zijn, voordat de realiteit zich ermee gaat bemoeien. Of Ramisch en zijn broer Raju die beide eigenaren waren van een klein papierwinkeltje, honderd meter van mijn woonadres in Kathmandu. Wat begon met elke ochtend zwaaien, monde uit in geregeld thee drinken met elkaar. Met z’n drieeen spraken over alles wat ons dagelijks bezighield, en al snel voelde hun winkel meer als een huiskamer dan als een winkelpand. En dan was er Chandra. Taxichauffeur van beroep die ik leerde kennen terwijl ik doodziek uit de bergen kwam rollen door een voedselvergifteging. Met zorg bracht hij mij die namiddag door de smalle steegjes van Kathmandu thuis. Vanaf dat moment gaf hij mij altijd gebroerdelijk een lift naar huis als hij mij op straat zag lopen, of bracht ik hem koekjes als ik hem op straat zag wachten op nieuwe klanten. Ook sloot ik een vriendschap met Arjun, de vrolijkste fruitverkoper die ik ken en mij standaard bananen of appels toewerpt als ik voorbij fietste. In mijn vrije momenten dronk ik graag met hem kopjes thee, en liet hij mij kennis maken met de lekkerste ‘streetfood’ kraampjes van zijn vrienden.
Tekst gaat verder onder de foto’s